Actueel

Taurus Advocaten bestaat 10 jaar en gaat verhuizen!

Per 1 september aanstaande bestaat Taurus Advocaten 10 jaar! In die 10 jaar hebben wij als advocaten, maar ook als ondernemers, veel meegemaakt en zijn wij zowel zakelijk als privé gegroeid.

In de afgelopen jaren hebben we zaken gewonnen maar ook verloren, we hebben hoogtepunten en een paar dieptepunten meegemaakt en zijn wij geïnspireerd geraakt door onze cliënten, relaties en de vele bedrijven die wij via netwerkbijeenkomsten mochten bezoeken.

Na 10 jaar kunnen we vol trots zeggen dat we ons van een jong kantoor hebben getransformeerd naar een kantoor wat stevige wortels in het Westland heeft, met relevante ervaring, scherpte en met behoud van ambitie.

Eén van onze doelen is om cliënten zich thuis te laten voelen bij ons. Cliënten zouden het “leuk” moeten vinden om bij ons langs te komen! Daar werken wij elke dag met veel plezier aan. Wij ontzorgen, helpen en ondersteunen cliënten en adviseren hen in heldere taal omtrent de mogelijkheden en kansen.

Het 10 jarig bestaan betekent een nieuwe stap voor ons team in een nieuw kantoorpand. Per 1 oktober 2017 zullen wij gevestigd zijn in ons nieuwe pand aan de Tiendweg 28 te Naaldwijk. Dit is voor ons een logische stap. We staan ondernemers bij (MKB) en daarbij past een locatie in het ‘zakelijke hart’ van Naaldwijk met een zakelijke uitstraling en een uitstekende parkeergelegenheid.

Wij zien er naar uit om u per 1 oktober 2017 te ontmoeten in ons nieuwe onderkomen!

Betrokken, betweter of klokkenluider?

Elke werkgever ziet graag betrokken werknemers die meedenken om de organisatie te verbeteren en die mogelijke misstanden op de werkvloer aankaarten. Er zijn echter ook werknemers die dermate betrokken zijn dat zij daarin doorschieten en als betweter op de stoel van de werkgever (willen) gaan zitten of zichzelf als klokkenluider zien, zonder dat er aantoonbare misstanden aan de orde zijn. Deze situatie is vanzelfsprekend niet wenselijk.

Dat speelde recent ook in een kwestie bij de rechter in Amsterdam. De betreffende werkgever had schoon genoeg van de (ongewenste) bemoeienissen van werknemer en verzocht de rechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De rechter constateerde dat er vanaf aanvang van het dienstverband al discussie tussen partijen bestond over de manier waarop het werk zou moeten worden gedaan, de samenwerking van de werknemer met zowel directe collega’s als die van andere afdelingen en de werknemer ook aanmerkingen had over (het functioneren van) diverse collega’s. De werknemer vond dat hij als ‘klokkenluider’ diende te worden aangemerkt.

De rechter oordeelde dat de werknemer onvoldoende had toegelicht dat hij als klokkenluider zou moeten worden gezien. Verder overwoog de rechter dat het, uitgezonderd daadwerkelijke misstanden, aan de werkgever is om haar organisatie te drijven op de wijze zoals de werkgever dat wenst en het aan de werknemer is om zich, gelet op de bestaande gezagsverhouding, hier uiteindelijk in te schikken.

Aangezien de werkgever de werknemer vanaf aanvang van het dienstverband continu heeft aangesproken om het functioneren in overeenstemming met het beleid van de werkgever te brengen en dit niet gelukt was en de vrees gerechtvaardigd was dat de werknemer zich in de toekomst op dezelfde manier zou gedragen, kwam de rechter tot de conclusie dat er een verstoorde arbeidsrelatie bestond die de ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigde.

Heeft u een werknemer die alles beter weet of spelen er misstanden op het werk of heeft u andere vragen over het arbeidsrecht, dan kunt u zich wenden tot mr. R.C.H. (Roel) Valstar, tel: 0174 – 527650 of e-mail: valstar@taurusadvocaten.nl.

Persoonlijk ernstig verwijt tweedegraads bestuurder?

Als een vennootschap een onrechtmatige daad pleegt, is in beginsel alleen de vennootschap daarvoor aansprakelijk. Onder bijzondere omstandigheden kan de bestuurder van een vennootschap eveneens aansprakelijk zijn. Die (eerstegraads) bestuurder moet dan ter zake van de onrechtmatige daad persoonlijk een ernstig verwijt kunnen worden gemaakt.

Artikel 2:11 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is, de zogenaamde “tweedegraads bestuurder”.

In de literatuur en rechtspraak was veel discussie omtrent het antwoord op de vraag of voor vestiging van de aansprakelijkheid van een tweedegraads bestuurder de aanvullende eis geldt dat ook die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

De Hoge Raad heeft recent een einde aan deze discussie gemaakt. In deze zaak voerden twee broers het bestuur van een holding. Die holding was op zijn plaats weer bestuurder van een BV. Die BV was schadeplichtig jegens haar leverancier. De BV gaat failliet, waarna de leverancier op grond van artikel 2:11 verhaal zoekt op de bestuurders van de holding, omdat zij als tweedegraads bestuurders van de BV onrechtmatig jegens haar zouden hebben gehandeld.

De Hoge Raad overweegt dat noch uit de tekst, noch uit de ratio van artikel 2:11 BW volgt dat een beperking is beoogd tot toepassing van artikel 2:11 BW op een of meer bepaalde wettelijke grondslagen van bestuurdersaansprakelijkheid.

Dit betekent dat voor vestiging van de aansprakelijkheid van een tweedegraads bestuurder niet de aanvullende eis geldt dat een schuldeiser stelt, en zo nodig bewijst, dat ook die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Een persoonlijk ernstig verwijt van de eerstegraads bestuurder is voldoende.

Indien u vragen heeft over het ondernemingsrecht, kunt u zich wenden tot de heer A.C. Abouzeid (T:0174-527650, e-mail: abouzeid@taurusadvocaten.nl).

Verbod hoofddoek op werkplek toegestaan?

Op 14 maart 2017 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) een uitspraak gedaan over het recht van werkgevers om werknemers te verbieden om een hoofddoek op het werk te dragen.

De uitspraak werd gedaan op verzoek van de Belgische rechter, die moet oordelen in een door een moslima aangespannen zaak nadat zij door haar werkgever, G4S, is ontslagen omdat zij op enig moment een hoofddoek wilde gaan dragen. G4S hanteerde als ongeschreven regel dat het dragen van zichtbare tekenen van politieke, filosofische en religieuze overtuigingen voor alle werknemers was verboden. Nadat de werkneemster op enig moment had laten weten dat zij op het werk een hoofdoek wilde gaan dragen heeft G4S laten weten dat dit niet getolereerd zou worden. Nadien heeft G4S haar beleid ook vastgelegd in een bedrijfsreglement. Omdat de werkneemster vasthield aan haar wens de hoofddoek te dragen op de werkplek, is zij door G4S ontslagen.

Het HvJ oordeelt dat het beginsel van gelijke behandeling meebrengt dat directe of indirecte discriminatie op grond van religie niet is toegestaan.  Nu het beleid van G4S er op ziet om álle personeelsleden zich neutraal te laten kleden en zich te onderhouden van het dragen van zichtbare tekenen van politieke, filosofische en religieuze overtuigingen, zonder onderscheid, is er volgens het HvJ geen sprake van een direct onderscheid op grond van religie of geloof.

Het HvJ geeft aan dat de wens van een werkgever om neutraliteit uit te stralen jegens haar klanten een legitiem doel is, mede op grond van de vrijheid van ondernemerschap. Wel wordt door het HvJ opgemerkt dat dit beperkt moet blijven tot werknemers die klantcontact hebben. Voorts is van belang dat het beleid daadwerkelijk consistent en systematisch wordt toegepast.

Een enkel verbod op het dragen van een hoofddoek is dus niet toegestaan. Indien een verbod in een bedrijfsreglement wordt opgenomen moet dat tevens zien op andere religieuze, politieke en filosofische uitingen. Voorts dient gemotiveerd te worden om welke reden neutraliteit voor het bedrijf belangrijk is.

Indien u vragen heeft over het arbeidsrecht kunt u zich wenden tot mevr. mr. D. Hogenboom (Taurus Advocaten te Naaldwijk, T:0174-527650, e-mail: hogenboom@taurusadvocaten.nl.)

Op het verkeerde paard wedden.

Hoe groot was de landelijke ophef in 2013 toen bleek dat een vleeshandelaar uit Oss verdacht werd van het verkopen van een mengsel van paarden- en rundvlees als puur rundvlees, ook wel bekend als de “paardenvleesaffaire”. Wat speelde er ook alweer?

Een afnemer van de vleeshandelaar trof begin 2013 in rundvleessnippers DNA van paardenvlees aan. Dat was voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) aanleiding een onderzoek in te stellen. Op 15 februari 2013 nam de NVWA de vleesvoorraad van de vleeshandelaar in bewaring en riep al het tussen 1 januari 2011 en 15 februari 2013 door de vleeshandelaar verkochte vlees terug.

De NVWA verweet de vleeshandelaar dat de verkochte partijen vlees niet herleid konden worden tot een specifiek ingekocht karkas, dat paardenvlees verwerkt was terwijl dat niet uit de administratie bleek, en dat het vlees niet als paardenvlees was geëtiketteerd. De NVWA merkte daarom de volledige voorraad van de vleeshandelaar aan als potentieel gevaarlijk voor de volksgezondheid.

Door de inbewaringneming van de vleesvoorraad werd de productie van de vleeshandelaar stilgelegd, waarna op 16 april 2013 het faillissement van de vleeshandelaar volgde. Bij vonnis van 7 april 2014 is de bestuurder van de vleeshandelaar strafrechtelijk veroordeeld tot tweeënhalf jaar celstraf vanwege het vervalsen van facturen, pakbonnen en schriftelijke verklaringen, waarin was vermeld dat geen paardenvlees was verwerkt, terwijl het product bestond uit zowel rund- als paardenvlees.

In een recent civielrechtelijk geschil verweet de curator van de inmiddels failliete vleeshandel op basis van dezelfde argumentatie dat het bestuur van de vleeshandel zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld.

De rechtbank geeft de curator gelijk. Doordat het bestuur van de gefailleerde vennootschap de Europese voorschriften voor vleesverwerking bewust heeft overtreden en het bestuur moest begrijpen dat de gevolgen voor de onderneming bij ontdekking van deze handelwijze waarschijnlijk desastreus zouden zijn, heeft het bestuur zijn taak onbehoorlijk vervuld en is het bestuur hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort in het faillissement, een slordige twaalf miljoen euro.

Voor vragen over bestuurdersaansprakelijkheid kunt u contact opnemen met mr. A.C. Abouzeid van Taurus Advocaten (e-mail: abouzeid@taurusadvocaten.nl). Hij is als advocaat gespecialiseerd in het ondernemingsrecht.