Strafrechtelijke term (diefstal) gebruikt bij ontslag op staande voet. Kan dat voor werkgever tot een bewijsprobleem leiden?

In geval van opzegging door de werkgever van een arbeidsovereenkomst om een dringende reden (ontslag op staande voet) dient die reden onverwijld aan de werknemer te worden meegedeeld. De reden hiervan is dat het voor de werknemer dan direct duidelijk behoort te zijn welke eigenschappen of gedragingen hebben geleid tot het beëindigen van de dienstbetrekking. De mededeling wordt vervolgens door middel van een ontslagbrief aan de werknemer bevestigd. Deze mededeling fixeert direct ook de ontslaggrond en dient de werkgever in een arbeidsrechtelijke procedure de in de ontslagbrief opgenomen redenen ook te bewijzen. Daarom is van groot belang dat een ontslagbrief nauwkeurig wordt opgesteld.

Het komt regelmatig voor dat de ontslagbrief strafrechtelijke begrippen als fraude of diefstal bevat, hetgeen tot gevolg heeft dat de werkgever in beginsel alle bestanddelen van de strafrechtelijke delictsomschrijving moet bewijzen. Dit leidt in de praktijk veelvuldig tot problemen.

Op 19 februari jl. heeft de Hoge Raad zich gebogen over een ontslag op staande voet waarbij de werkgever in de opzegbrief als reden voor ontslag heeft opgenomen: “de diefstal van bedrijfseigendommen.”

De werknemer had ten behoeve van de privéauto van zijn vrouw getankt met gebruikmaking van de zakelijke tankpas van zijn werkgever, zonder de daarmee gemoeide bedragen terug te betalen aan de werkgever. De werkgever stelde zich op het standpunt dat er sprake was van diefstal. De werknemer heeft de nietigheid van het ontslag ingeroepen en aanspraak gemaakt op loondoorbetaling. De werknemer stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat de werkgever niet heeft aangetoond dat aan alle bestanddelen van de delictsomschrijving van art. 310 van het Wetboek van Strafrecht is voldaan.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat aan de letterlijke tekst van een ontslagbrief niet steeds doorslaggevende betekenis toekomt voor het antwoord op de vraag welke dringende reden aan de wederpartij is meegedeeld, en dat het uiteindelijk erom gaat of voor de werknemer aanstonds duidelijk is welke dringende reden tot de opzegging heeft geleid. Ook een in een ontslagbrief vermelde opzeggingsgrond dient mede te worden uitgelegd in het licht van de omstandigheden van het geval. Dit is niet principieel anders indien in de ontslagbrief enkel strafrechtelijke begrippen worden gehanteerd. De Hoge Raad meent dat in dit geval de term ‘diefstal’ in de ontslagbrief niet in zijn strafrechtelijke betekenis dient te worden opgevat.