Woning op afstand van 290 meter tot de vergunde bouw van loods en opslagsilo’s voor digestaat en drijfmest…. Belanghebbende of niet?

Jeanin zw kleinDe gemeente Leudal heeft een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een loods en drie opslagsilo’s voor digestaat en drijfmest, alsmede om de gronden in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken.

Een aantal omwonenden en de Stichting Dorpsraad heeft beroep aangetekend bij de rechtbank sector bestuursrecht en zijn daar niet ontvankelijk verklaard omdat ze geen belanghebbende waren. Zowel de omwonenden als de Stichting lieten het er niet bij zitten en hebben  hoger beroep aangetekend bij de Raad van State. Zij vrezen voor negatieve gevolgen in het kader van geurhinder, uitzicht, verkeershinder en aantasting van hun woon-, werk en leefsituatie.

De bewoners wijzen er in dit verband op dat een van hen op 290 m van het vergunde project woont en dat de andere bewoner een tuin binnen een afstand van 300 m daarvan heeft. Gelet hierop vormt het criterium “afstand” volgens de bewoners geen belemmering voor hun belanghebbendheid.

Voorts heeft de rechtbank volgens de bewoners ten onrechte overwogen dat de vergunde bebouwing geen negatieve gevolgen van enige betekenis heeft voor hun uitzicht. Vanuit de woningen alsmede vanaf de Parallelweg, Berikstraat en Dorpsstraat bestaat goed zicht op de bestaande opslagtanks nu die straten eenzijdig zijn bebouwd. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de nieuwe loods en silo’s door afschermende begroeiing niet of nauwelijks zichtbaar zijn. Gelet op de hoogte van de vergunde silo’s, het zicht op de bestaande silo’s van 23 m hoogte en het open agrarische gebied hebben de meeste appellanten goed zicht op het project. Het “zichtcriterium” vormt derhalve volgens de bewoners geen belemmering voor het aannemen van hun belanghebbendheid.

De Raad van State deelt de mening van de bewoners niet.

“Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.”

Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737, heeft de rechtbank overwogen dat voor het zijn van belanghebbende aannemelijk moet zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden.

Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

Indien bepaalde milieugevolgen zijn genormeerd door een afstandseis, een contour of een grenswaarde, is deze norm niet bepalend voor de vraag of de betrokkene belanghebbende is bij het besluit. Indien het besluit en de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, komt de vraag of aan die norm wordt voldaan aan de orde bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep.

Bij besluiten over activiteiten in het omgevingsrecht is het de taak van de desbetreffende gemeente om de kring van belanghebbenden vast te stellen aan de hand van (onderzoek naar) de feitelijke gevolgen van het besluit. Uiteindelijk is het aan de bestuursrechter om te oordelen over de vraag wie belanghebbende bij een besluit is. De betrokken rechtzoekende hoeft derhalve niet zelf aan te tonen dat hij belanghebbende bij een besluit is. Slechts indien tijdens de procedure de vraag aan de orde is of ‘gevolgen van enige betekenis’ ontbreken en dus de vraag of er aanleiding is de correctie toe te passen, kan en mag van de betrokkene worden gevraagd uit te leggen welke feitelijke gevolgen hij van de activiteit ondervindt of vreest te zullen ondervinden.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat de in de omgevingsvergunning voorziene loods van 10 m hoog en de voorziene silo’s van 5 m hoog vanaf de percelen van de bewoners en anderen mede als gevolg van de aanwezige afschermende begroeiing nauwelijks zichtbaar zullen zijn. De rechtbank heeft daarbij terecht overwogen dat voor de beoordeling van de factor zicht, in het kader van de vaststelling van de kring van belanghebbenden, niet bepalend is of zicht bestaat op de reeds bestaande silo’s, maar of zicht bestaat op hetgeen wordt vergund. Deze bestaande opslagtanks kunnen in het kader van de omgevingsvergunning die is verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo als zodanig niet in het kader van de ontvankelijkheidstoets worden betrokken. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat voor zover er enig zicht is op de te realiseren bouwwerken, dat zicht wordt gedomineerd door de ter plaatse op het bedrijventerrein reeds aanwezige beeldbepalende opslagtanks van 23 m hoog. Het zicht wordt derhalve gedomineerd door deze opslagtanks die geen onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning voor het bouwen. Dat de bestaande opslagtanks, naar de bewoners stellen, mogelijk in een later stadium zullen worden vervangen door nieuwe is daarbij niet relevant. Daarbij zal in dat geval opnieuw vergunningverlening aan de orde zijn. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling gezien het vorenstaande terecht overwogen dat de bij het besluit van 9 september 2014 vergunde bebouwing geen negatieve gevolgen van enige betekenis heeft voor het uitzicht van de bewoners en anderen. Zij worden hierdoor niet rechtstreeks in hun belangen geraakt.

Kortom, om belanghebbende te zijn in een bestuursrechtelijke procedure is het noodzakelijk dat het vergunde negatieve gevolgen van enige betekenis heeft. Dit is en blijft een grijs gebied maar de Raad van State heeft er inmiddels wat meer kleur aan gegeven!